Vogel in het nieuws

IJsvogel.

Naam.

De Nederlandse naam ijsvogel kan een verbastering van de Germaanse naam Eisenvogel zijn, wat ‘ijzervogel’ betekent. Deze naam slaat op de metaalachtige glans van het blauwe verenkleed. Een andere verklaring voor de naam is dat de ijsvogel ’s winters bij het ijs werd gezien om uit een wak vissen te vangen.

Herkenning.

De ijsvogel is een kleine vogel met een korte staart, pootjes, een korte nek, korte afgeronde vleugels, een grote kop met grote ogen en een lange, dolkvormige snavel die geschikt is om vissen mee te vangen en vast te houden. De voortenen zijn gedeeltelijk aan de basis met elkaar vergroeid.

De ijsvogel heeft een overwegend blauwe kleur, waarbij de veren van de kop en vleugels  blauwgroen zijn en op het midden van de rug lichter tot kobaltblauw. De staartveren zijn wat donkerder. De veren aan de borst en buikzijde zijn warm oranje gekleurd en steken hiermee duidelijk af. Van de snavel tot achter het oog is op de wang een oranje oogstreep aanwezig, die abrupt overgaat in een helder witte streep, ook de keel van de ijsvogel is wit. De poten zijn oranje tot rood van kleur. De mannetjes zijn enkel van de vrouwtjes te onderscheiden aan de kleur van de basis van de ondersnavel, die bij het vrouwtje dofrood is en bij het mannetje net zo zwart als de bovensnavel.

Roep van de ijsvogel.

Het geluid van de ijsvogel is divers; er kunnen diverse kwetterende schelle, kwelende en fluitende geluiden worden geproduceerd. Het mannetje lokt het vrouwtje met een hoge, fluitende ‘tjieieiet’ of ‘tieietuu’, die hij vaak tijdens de vlucht laat horen. Bij opwinding worden korte, herhaalde ‘titi-titi’ geluiden geproduceerd

Leefgebied.

 

 De ijsvogel leeft in waterrijke gebieden zoals beken, rivieren, sloten, meren, plassen maar soms ook tuinvijvers met enkele bomen of struiken langs de oever, die zorgen voor dekking en als zitplaats. Meestal jagen ze vanaf een overhangende tak boven het water of biddend in de lucht en storten zich vervolgens loodrecht naar beneden om recht boven een visje het water in te duiken. Ze eten vooral kleine vissoorten maar ook libellenlarven, salamanders en kikkervisjes. De ijsvogel verlaat direct na de vangstpoging het water. Met één slag van de korte, sterke vleugels kan hij zich uit het water heffen en wegvliegen. Hij vliegt hierna naar een zitplaats, waar hij het visje doodslaat tegen de tak waar hij op zit. Hierna wordt de prooi in zijn geheel doorgeslikt met de kop eerst. Zo wordt voorkomen dat eventuele stekels van de prooi zich vastzetten in de keel en de vogel zouden doen stikken. Mocht de ijsvogel de vis niet met zijn snavel kunnen draaien dan wordt deze eerst in de lucht gegooid. Onverteerbare delen als graten, schubben enz. worden in een kleine, ovale braakbal uitgebraakt.

Foto Patrick Grunder

De ijsvogel is voor het jagen afhankelijk van wateren die helder en ijsvrij zijn met veel kleine visjes. Het liefst leeft hij in schaduwrijke gebieden, waar hij bij de jacht niet wordt gehinderd door de reflectie van licht. De aanwezigheid van geschikte uitkijkplaatsen is van minder groot belang. In de broedtijd leven de vogels voornamelijk in de nabijheid van steile oeverwallen van zand of leem nabij water, waar een nesthol kan worden uitgegraven. Soms broeden zij ook in steile wanden die wat verder van het water afliggen, maar dit komt zelden voor.

De ijsvogel is over het algemeen een standvogel, maar dieren die in noord Europa  leven, zoals de Finse en Russische populaties, trekken ’s winters weg, aangezien dan alle wateren bevroren zijn, wat het jagen onmogelijk maakt. Tijdens de trek kan hij afstanden tot wel 2000 km afleggen. Vogels uit Scandinavië worden ’s winters ook in Nederland aangetroffen. Zij trekken in maart weer weg naar de broedgebieden.

Voortplanting.

De ijsvogel broedt meestal twee tot drie keer per jaar. Bij zeer gunstig weer of verlies van een legsel kunnen tot vier legsels per jaar worden geproduceerd. Aan het begin van de paartijd in februari zoekt het mannetje een vrouwtje, meestal hetzelfde vrouwtje als het voorgaande jaar. De paarvorming begint met een achtervolging in de lucht, vlak bij de toekomstige locatie van het nest. Tijdens deze achtervolging slaakt het mannetje scherpe kreten. Vervolgens strijken de dieren naast elkaar neer en richten ze zich verticaal op, met de snavel licht omhoog. Na de paarvorming begint het mannetje met de bouw van het nest. Als het mannetje een oud nest wil betrekken, toont hij dit door er geregeld in en uit te vliegen.

IJsvogels maken holen in een steile oeverkant of een omgevallen boom om er te broeden. Het mannetje klemt zich eerst vast aan de oeverwand en graaft met de snavel de grond weg. Met de poten veegt hij de uitgegraven aarde uit het hol. Ook het vrouwtje helpt wat later mee met de bouw van het nest. In het begin houdt zij zich echter meer bezig met het verdedigen van het territorium. Het hol bestaat uit een licht oplopende gang met een doorsnede van 5 tot 5,5 cm en een lengte van 30 tot 100 cm. Deze gang eindigt in een ronde nestkamer, waarin de eieren worden gelegd. De opening van het hol bevindt zich meestal zo’n 90 tot 180 cm van de bodem. Zo beschermen zij zich tegen ongewenste gasten. Na een week is de nestgang klaar.

Na de bouw van het nest volgt de balts, waarbij het mannetje een visje aanbiedt aan het vrouwtje. De balts wordt meestal vergezeld door veel geroep. Zodra het vrouwtje de vis heeft geaccepteerd en opgegeten volgt de paring.

De broedtijd duurt van maart tot juli en is afhankelijk van de geografische locatie. In West-Europa worden de eerste eieren half maart gelegd. De nestkamer waarin de eieren worden gelegd is onbedekt. Een legsel bestaat uit vier tot acht (soms tot tien) witte, ronde eieren. Het broeden begint nadat het laatste ei is gelegd, waardoor de eieren ongeveer tegelijkertijd uitkomen. Het paar broedt samen de eieren uit; ze wisselen elkaar iedere twee tot vijf uur af.

Na een broedtijd van 18 tot 21 dagen komen de eieren uit. Bij het uitkomen zijn de kuikens blind en naakt. De eerste week worden ze warmgehouden door de ouders. Na deze week zijn de kuikens bedekt met korte veren. Zowel het mannetje als het vrouwtje verzorgt de jongen. Zij voeden de kuikens met insecten, visjes en kleine kreeftachtigen. De prooidieren zijn iets groter dan die waarmee de ouders zichzelf voeden. De prooi wordt met de kop naar voren aangeboden. De eerste twee à drie weken wachten de jongen in de nestkamer op de ouders. De bodem van de kamer raakt hierdoor bedekt met braakballen, visschubben, graten en andere voedselresten. De jongen zitten in het hol in een stervorm, met de snavels naar de opening gericht. Het kuiken dat voor de ingang zit krijgt als enige voedsel. Nadat één voedsel heeft gekregen, schuift de “ster” een plaats op. Op deze manier krijgt ieder jong voer. Als een jong probeert voor te dringen, wordt hij door de andere jongen met harde pikken gestraft. Later wachten de kuikens de ouders op in de gang.

Na 23 tot 27 dagen verlaten de jongen het nest en nemen plaats op een tak, waar ze nog twee tot vier dagen worden gevoerd. Vaak is het ouderpaar dan al begonnen aan een tweede legsel, in een andere nestgang. Na deze dagen worden de jongen weggejaagd of verlaten ze uit zichzelf het territorium van de ouders. Ze vormen het volgende jaar zelf een territorium. Na een jaar zijn ze geslachtsrijp.

Bedreigingen.

De belangrijkste natuurlijke vijanden van de ijsvogel zijn rovende zoogdieren als de nerts, de wezel en de bunzing. De holen zijn echter lastig te bereiken en ijsvogels worden daardoor zelden bejaagd. Ook roofvogels vangen zelden een ijsvogel, aangezien deze zich meestal snel en laag over water verplaatsen.

De ijsvogel kan slecht tegen koude en een zeer strenge winter. Meestal sterven de dieren door voedselgebrek doordat ze door het ijs geen vis kunnen vangen. Sommige verongelukken doordat ze bij een duik een harde klap maken op het ijs. De belangrijkste hedendaagse bedreiging is door de mens veroorzaakte watervervuiling, waardoor prooidieren sterven en het water vertroebelt. Ook het verdwijnen van beken en de ‘normalisering’ van oevers, die worden strakgetrokken en versterkt met beton of stenen, leidt tot een lagere biodiversiteit en het verdwijnen van geschikte broedplaatsen. Een andere bedreiging is verstoring door de watersport en nieuwsgierige vogelaars. Gebieden waar de verstoring al vroeg in het jaar zeer hoog is, worden verlaten door ijsvogels, de dieren moeten vervolgens al hun energie steken in het vinden van een nieuw territorium en komen dat jaar vaak niet meer aan broeden toe.

De ijsvogel is na twee zachte winters op rij bezig aan een spectaculair herstel in Twente en de Achterhoek. Naar schatting hebben hier meer dan 150 ijsvogelparen gebroed. Mede een gevolg van natuurherstel langs beken en een geweldige verbetering van de waterkwaliteit.

In heel Nederland werden er door Sovon Vogelonderzoek Nederland ruim duizend broedparen vastgesteld.

De goudvink.

Het uiterlijk.

Het is een wat plompe vink met een brede nek. Zowel het mannetje als het vrouwtje heeft een zwarte  kap. Het mannetje heeft een opvallende helder rode roze buik en wangen. Het vrouwtje is onopvallender beige grijs gekleurd. Beide hebben een donkere staart, een witte stuit en vleugels met opvallende witte vleugelstreep. Heeft een korte, zware, dikke, zwarte snavel.Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is Stel-goudvinken-1.jpg

LEEFWIJZE.

BROEDEN.

De goudvink broedt in de vrije natuur van eind april tot juli. Heeft meestal twee (soms drie) broedsels van 4-6 eieren. De broedduur 13-14 dagen. Het vrouwtje maakt het nest van gras, mos, bladeren en wat takjes. De jongen zitten 16-18 dagen in het nest en kunnen zich 2-3 weken na het uitvliegen zelfstandig redden.

LEEFGEBIED.

Goudvinken kom je tegen in oude en jonge naaldbossen, gemengde bossen, loofbossen, parken en in grote tuinen met veel variatie en ondergroei. In de ondergroei maken ze hun nest.

VOEDSEL.Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is goudvink-nest-met-jongen-1.jpg

De goudvink eet bessen zoals die van meidoorn, liguster, kamperfoelie, braam en bitterzoet, vooral om de zaden. Ze eten ook zaden van kruidensoorten zoals brandnetel, wilgenroosje, boterbloem, paardenbloem, kruiskruid en melkdistel. Verder lusten ze graag essenzaden. Als er ’s winters weinig essenzaad is, eten ze ook de knoppen van de bomen. Ook die van fruitbomen en dat maakt goudvinken niet populair bij telers.

VOGELTREK.

Goudvinken uit Nederland trekken nauwelijks, maar buiten de broedtijd zwerven ze wel rond op zoek naar voedsel. In Nederland overwinteren goudvinken uit oostelijker en noordelijker gelegen landen. Vooral in Oost-Nederland is in het najaar wat doortrek te merken van vogels uit Duitsland en Scandinavië, tussen half oktober en half november. In sommige najaren vinden kleine invasies plaats van de noordse goudvink, een andere ondersoort. Van voorjaarstrek wordt meestal weinig gemerkt, het meest nog in maart en begin april. Het aantal goudvinken is de laatste jaren min of meer constant gebleven, met een lichte toename voor de broedvogels. Wel is de verspreiding over Nederland licht afgenomen. In het zuiden van het land zijn er minder grote dichtheden te vinden sinds 1975, mogelijk door verdroging van bossen en gebrek aan jonge bosstadia. In het noorden en delen van de Hollands-Zeeuwse duinen juist een wat bredere verspreiding. Landelijk gezien lijken de aantallen niet veel verandering door te maken.

AANTALLEN IN NEDERLAND.

Aantal broedparen
9000-11.000
Geschat maximum aantal overwinteraars
20.000-30.000
Doortrekkers
10.000-50.000

Bescherming.

De aantallen goudvink lijken al jaren min of meer stabiel.

Een goudvink is niet geholpen met een nestkast, want de soort maakt zelf nesten in dichte struiken. Wil je ze graag tegenkomen in je eigen tuin, dan zullen dichte struiken daarbij helpen. Ook kun je ze aantreffen rond de voedertafels waar ze zonnebloempitten en andere zaden eten. Ook voedersilo’s met zwarte zonnebloemzaden worden bezocht.

De Noordse goudvink.

De noordse ‘trompet’goudvink is wat groter dan de Nederlandse Goudvink en de mannetjes zijn iets rozer en lichter grijs. Deze kenmerken zijn niet altijd goed zichtbaar en er zijn ook overgangskleden. Beste onderscheidende kenmerk is het geluid. De noordse ‘trompet’goudvink maakt een ander geluid lijkend op het geluid van een gedempte trompet. De noordse goudvinken met trompetgeluid zijn vermoedelijk afkomstig uit oostelijker streken (Rusland, Oeral). In de herfst van 2005 was een invasie van afwijkend roepende Goudvinken, die een geluid maakten dat leek op een kindertrompetje, vandaar de naam Trompetgoudvink. Het bleek dat dit de roep was van broedvogels uit delen van Finland en de regio Komi in het uiterste noordoosten van Europees Rusland. Daarom wordt ook wel de naam Komi-goudvinken gebruikt

.Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is Noordse-goudvink-man.jpg

Klapekster.

De klapekster staat al jaren op de rode lijst. Dat houdt in dat het aantal vogels in Nederland de laatste jaren drastisch is gedaald.

Klapeksters zijn vogels van ruige, vaak licht beboste open terreinen. Sinds 1999 zijn er in Nederland geen broedgevallen meer. Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit woelmuizen en kevers, in de winter ook zangvogels. In ons land overwinteren klapeksters uit noordelijker streken. Ze kunnen aangetroffen worden op allerlei uitzichtpunten op heide en hoogvenen, ook wel in de duinen en open moerasgebieden. Net als andere klauwieren spietsen ze prooien aan stekels en aan prikkeldraad, om op deze wijze een voorraad aan te leggen.

Zoals andere klauwieren hebben ze een lange staart en een haaksnavel. De bovendelen en kruin zijn lichtgrijs, onderdelen wit, zwart masker, vleugels zwart met witte vlek en de staart is zwart met een witte rand.

Hun roep wordt weinig gehoord, de zang nog minder. Dit komt vooral omdat ze hier alleen maar in de winter voorkomen. De roep is een scherpe triller, iets dalend.


BROEDEN

De klapekster legt vanaf eind maart tot mei 4-6 eieren. De broedduur is 14-18 dagen. Broedt in Noord-Europa in berkenbossen, moerassen en hoogvenen. Het nest wordt zorgvuldig in elkaar gezet door beide vogels. Het bevindt zich meestal hoog in de bomen, maar ook wel in dicht struikgewas. Het vrouwtje broedt, het mannetje voert eten aan. Na 14-20 dagen vliegen de jongen uit, maar worden nog 3 weken door de ouders gevoed en verlaten het ouderlijk territorium pas 3-4 weken later.

LEEFGEBIED

Zomers leven ze in hun leefgebied met structuurrijke heidevelden en hoogveengebieden met een geleidelijke overgang van open gebied naar (loof)bos. Het leefgebied van de klapekster is vaak iets droger dan dat van zijn naaste verwant, de grauwe klauwier. Belangrijke voorwaarde is dat er voldoende prooidieren aanwezig zijn: muizen, hagedissen, loopkevers en andere kleine dieren. Alleen in een voldoende intact en gevarieerd gebied zijn deze in voldoende hoeveelheid aanwezig.

VOGELTREK

De meeste populaties zijn (gedeeltelijk) trekvogel, in Zuidwest-Europa verplaatsen de vogels zich relatief weinig. In Nederland komen in de winter voornamelijk vogels voor vanuit Scandinavië. ’s Winters en in oktober, zitten ze vaak op grote heidevelden. Ze trekken meestal ’s nachts. De meeste vogels verlaten vanaf de nazomer – met als piek september–oktober – hun broedgebied en keren daar vooral in maart-april weer terug.

De hop.

In de natuur zie je deze vogel wel eens in het Middellandse zeegebied ofwel in oost Europa. Hier vind je broedgebieden van deze oogverblindende mooie vogel.

Het zijn daar geen zeldzame vogels. In Nederland is dat wel anders. Tot in de vooroorlogse jaren was de hop bij ons een regelmatige broedvogel, met name in het zuiden en bij ons in het oosten. Sinds de jaren 70 zijn er nog maar sporadisch broedgevallen. Deze eeuw was er zelfs maar eentje: In 2012 in Noord Limburg. Maar de vlag kan uit. In de Amsterdamse Waterleiding duinen tussen Noordwijk en Zandvoort is een uniek broedgeval waargenomen. Hier zijn afgelopen zomer 5 jonge hoppen uitgevlogen! Dit is de eerste keer dat de hop in west Nederland heeft gebroed.

Tijdens de trekperiode in voor- en najaar worden jaarlijks enkel tientallen hoppen in Nederland gespot. In april/mei kun je ze dan aantreffen, vooral in de duinen. Ook komt het weleens voor dat er eentje probeert te overwinteren. Ze houden van open plekken met een korte vegetatie en braakliggende terreintjes.  Rondscharrelend op de grond zie je ze gemakkelijk over het hoofd, maar als ze de vleugels uitslaan zijn ze niet te missen. De hop verandert dan in een grote vlinderachtige vogel met een prachtig zebrapatroon op de vleugels. Bij de landing is de mooie kuif kort te zien. Die kuif speelt een belangrijke rol in de onderlinge communicatie. De vogels maken hun gemoedstoestand kenbaar door kuif en/of vleugels op verschillende manieren te openen en sluiten. In de zuidelijke broedgebieden verraadt de hop zich vaak door het zeer kenmerkende geluid. Hij zingt zijn eigen naam, maar dan drie keer snel achter elkaar.

Bijnamen.

Hij heeft in de loop der tijden niet zulke mooie bijnamen gekregen. In de diverse windstreken waar hij voorkomt ( kwam ) hebben ze het over: stronthaan, drekhop, strontlijster of drekhaan. Dit is te danken aan de moeder en haar jongen. Ze spuiten hun maag en stuitklier leeg als er een mogelijke indringer te dicht bij het nest komt. Daarbij sissen ze vervaarlijk als een slang. Overigens houden ze het nest redelijk schoon. Dat nest bevindt zich meestal in een boomholte en soms in een nestkast. Het mannetje zorgt voor het voedsel, dat voornamelijk bestaat uit grote insecten, met name larven en poppen. De lange snavel gebruikt hij om deze prooidieren uit hun ondergrondse gangen te trekken. Naast het mythisch verleden is de hop onlangs gekozen tot de nationale vogel van Israël.

Help de vogels de winter door.

November 2018.

Naarmate de natuur te weinig voedsel biedt, zullen allerlei vogels steeds meer onze tuinen opzoeken. Wacht met (gedeeltes) van de tuin winterklaar te maken. Tussen afgestorven stengels en bladeren vinden insecteneters veel voedsel. Ook uitgebloeide bloemen bevatten nog veel zaadjes, waar mussen en vinken van leven.

De tijd dat we pinda’s aan een touwtje regen is voorbij. Favoriet is de vogelpindakaas geserveerd in een prachtige houder. Maar vogels vinden die pindakaas net zo lekker, als je hem gewoon aan een ruwe boomstam smeert. Natuurlijk zijn er ook vogeltjes die absoluut geen

pindakaas blieven. Roodborstjes en winterkoninkjes hebben liever insecten of broodkruimeltjes. Merels eten graag een rotte appel, mussen zijn dol op havermout, putters op zaden en groenlingen op rozenbottels. Zoveel vogels, zoveel smaken.

Bij de aanplant van je tuin kun daar ook rekening houden. Denk aan planten als kogeldistels en kaardenbollen, die in trek zijn bij putters. Veel vogels zijn dol op bessen en bottels. Plant derhalve bottelrozen, vuurdoorn, duindoorn en meidoorn.Afbeeldingsresultaten voor rozenbottel

Niet ieder vogel voelt zich op zijn gemak, hangend aan een pindakaashouder. Heggenmussen en winterkoninkjes rommelen liever in het dode blad en ook de merel eet liever van de grond. Voor die minder acrobatische vogels wordt vaak een voedertafel neergezet, maar zelfs die vinden ze te hoog. Afbeeldingsresultaten voor vogels in de winterVoer ze op de grond en strooi niet meer dan de vogels op kunnen. Haal ’s avonds het overgebleven voer naar binnen. Anders voer je ook ratten en muizen.

Vogels hebben niet alleen voedsel nodig , maar ook water. Zeker als de vijver bevroren is. Zet een ondiepe waterschaal neer en ververs het water regelmatig. Leg er desnoods een stukje gaas over, zodat ze niet kunnen baden. Los er bij strenge winter suiker in op. Dat werkt als anti vries.Afbeeldingsresultaten voor vogels in de winter

Vogels hebben ook rust nodig. Vooral als het koud is, verliezen ze ’s nachts een flink deel van hun lichaamsgewicht. Nestkastjes zijn hiervoor vaak een goede oplossing. Mezen en spechten vinden er ’s nachts beschutting. Andere vogels slapen graag in dichte klimop of in een groenblijvende haag van taxus of buxus.

Afbeeldingsresultaten voor vogels in de winter

Veel succes. Zo blijven de vogels graag in je tuin komen en zul je ook steeds weer exemplaren tegen komen, die je niet zo vaal ziet.

De visarend

visarend-10

Maart 2016
De visarend is vaker in Twente te zien, dan menigeen denkt. De vogel met een opvallend zwart-witte kop duikt soms letterlijk in de regio op tijdens de trek in het voorjaar en herfst. Verder is zijn gehele onderkant wit en de bovenkant chocolade bruin. Door het oog loopt een donkere streep. Het mannetje en het vrouwtje hebben eenzelfde verenkleed. Laatstgenoemde is iets groter en zwaarder. De lichaamslengte is zo’55 cm. En de spanwijdte ligt tussen de 1.50 m. en 1.75 m.
Het is niet zo’n hele grote arend. Zeker op grotere afstand worden ze vaak aangezien voor een buizerd. Visarenden hebben echter lange, wat slungelachtige vleugels en kunnen net als een torenvalk “biddend” jagen boven het wateroppervlak.

visarend mrt.2016

Tellingen van Twentse telposten geven weliswaar aan dat het niet gaat om duizenden, maar toch zeker om tientallen vogels. Ook waarnemingen buiten de telposten om, geven aan dat deze arend is toegenomen in aantal.
Even onderweg een visje pikken met zijn vlijmscherpe klauwen in een van de vele Twentse waterplassen om dan zijn reis weer voort te zetten. Met een ferme duik het water in, om er dan weer zeer moeizaam uit te komen met een lekker visje in zijn bek.

visarend met vis mrt.2016

De lange, geknikte vleugels doen dan dienst als roeispanen.
Ook in grote delen van Europa is de visarend in opmars. Door de jacht waren ze in Duitsland en Polen begin vorige eeuw vrijwel uitgeroeid. Ze werden gezien als concurrentie voor de zoetwatervisserij. Door de Europese wetgeving zijn ze nu beschermd. Tevens zijn de milieuomstandigheden de laatste jaren sterk verbeterd en is het oppervlaktewater in Europa aanzienlijk schoner geworden. Inmiddels broeden weer honderden paren in Duitsland en breidt het broedgebied zich uit richting Nederland. Ook in de Biesbosch zijn de eerste broedpogingen gedaan en het is zeer denkbaar dat in Nederland meerdere broedparen zich zullen vestigen.
Het is dan ook niet vreemd, dat tijdens de trek hier meerdere visarenden worden waargenomen. In het voorjaar zoeken ze hun broedgebied op en in het najaar vertrekken ze daar weer, omdat daar dan de vijvers en plassen dichtvriezen.
Bekende gebieden waar we de visarend kunnen tegenkomen zijn: Oelemars in Losser, de Engbertsdijksvenen bij Vriezenveen, het Haaksbergerveen en het Aamsveen bij Enschede.

De kraanvogel is weer terug.

Sept. 2015

Voor het eerst sinds 100 jaar is er weer een kraanvogelkuiken gesignaleerd in Twente. Het jong in de Engbertsdijkvenen bij Vriezenveen is nu 5 weken oud en ziet er gezond uit.

De ouders zijn druk in de weer om het te voeden met insecten, larven en andere diertjes uit deze vegetatie.

Europese kraanvogel

Al meerdere jaren broeden hier kraanvogels, maar zonder succes. Dit voorjaar verschenen er twee broedparen. Dat leidde tot flinke onderlinge bonje, waarna één stel snel verdween. Ook in de omgeving van Winterswijk, in het Korenburgerveen, heeft een koppel genesteld. Met als resultaat één kuiken. Helaas werd deze door een vos gegrepen. Ook in Drente zijn meerdere kraanvogelparen tot broeden overgegaan. Met wisselend succes! Een teken dat de kraanvogelpopulatie zich steeds meer in westelijke richting verplaatst.

In de afgelopen jaren zijn er steeds meer paartjes in Twente en in de Achterhoek gesignaleerd. In het Korenburger, Vragenderveen (Winterswijk/Lichtenvoorde), in het Haaksbergerveen, het Witteveen, het Aamsveen (Haaksbergen/Enschede) en in het aangrenzende Duitse Amtsvenn zijn serieuze broedpogingen geweest. Wel staat vast dat vorig jaar een broedpaar jongen heeft grootgebracht in het Gildehauser Venn, vlak over de grens bij De Lutte.

De Europese kraanvogel is groter dan de ooievaar. Zijn spanwijdte is 2 tot 2,3 meter, waardoor zijn vlucht majestueus van aan blik is. Het verenkleed is overwegend licht blauwgrijs met op de rug roestkleurige vlekken. De achterkant van de kop is wit, terwijl de keel zwart is. Ook boven op zijn kop bevindt zich een zwart gedeelte met een donkerrode kruin.

kop van europese kraanvogel

Voedsel.

Kraanvogels zijn alleseters. In broed- en wintertijd eten ze grote insecten, wormen en amfibieën. Op hun trektocht naar warmer gebieden genieten ze van maiskorrels, granen en aardappels die op de landbouwgronden zijn achtergebleven.

Leefgebied en trekvogel.

De kraanvogel leeft in een groot gebied dat reikt van West-Europa tot diep in Midden- en Oost Azië. In maart/ april en in oktober/november trekken ze van en naar hun zomergebied. Daarbij doen ze vaak de Benelux aan als rustplaats. Op sommige plaatsen worden ze bijgevoerd of laten de boeren bewust oogstresten op hun land liggen. Zoals gezegd gebruiken ze Oost-Nederland sinds 2001 ook als broedplaats.

Nabij de Oostvaardersplassen is een groep gekortwiekte kraanvogels geplaatst, die wilde kraanvogels moeten gaan aantrekken. Wereldwijd zijn er nog zo’n 360 tot 370.000 exemplaren; hij is dus niet bedreigd en staat niet op de rode lijst.Spanwijdte europese kraanvogel

Gedrag en voortplanting.

Ze vallen op door hun prachtige balts en dans. In het voorjaar springen beide vogels met uitgestrekte vleugels meters hoog om elkaar heen. Een kraanvogelpaar maakt een nest in een graspol te midden van een moeilijk bereikbaar moeras. Meestal is er slechts één jong. Deze verlaat al snel het nest en kan nog niet vliegen. Zo probeert het de roofdieren weinig kans te geven. In de nabijheid van de ouders zoeken ze beschutting in het bos en deze voederen bij tot het in staat is te vliegen en zelf eten te vinden. De kraanvogel is een nestvlieder.

De grote zilverreiger.

April 2015

Naast de veelvoorkomende blauwe reiger, komen in onze regio ook steeds meer grote zilverreigers voor. Rond de eeuwwisseling was deze prachtige witte vogel nog opzienbarend. Nu zijn ze vrijwel overal aanwezig in graslanden, langs slootkanten en bij grotere waterplassen in Twente en de Achterhoek. Ook zoeken ze steeds meer de menselijke omgeving op in stedelijke gebieden. De vijverliefhebbers zijn daar niet altijd even blij mee. In ons gebied zijn het echte wintergasten. Vanaf augustus, september komen ze hier. Waar ze vandaan komen is niet met zekerheid te zeggen. Waarschijnlijk uit Oost-Europese broedgebieden en mogelijk ook uit zuidelijke gebieden zoals Frankrijk.

grote zilverreiger (3)

Met zijn lengte van 85 – 100 cm is de zilverreiger nog iets groter dan de blauwe reiger. De spanwijdte is 1,45 tot 1,70 m. grote zilverreiger (2)en zijn gewicht ligt tussen de 1 en 1,5 kg. Hun voedsel bestaat uit vis, amfibieën, kleine zoogdieren en soms ook reptielen en vogels. Zijn jachttechniek is eenvoudig: langdurig stilstaan tot een prooidier in de buurt komt. Eenmaal dichtbij spiest hij zijn prooi aan de dolkvormige snavel.

grote zilverreiger

 

Inmiddels broeden grote kolonies zilverreigers bij de Oostvaardersplassen bij Lelystad en in de kop van Overijssel. Dit aantal is echter beduidend kleiner dan de aanwezige wintergasten. In 2005 werden er 14.035 vogels gemeld en in 2014 waren dit er al 200.094. In de loop van maart zijn de meeste grote zilverreigers vertrokken en na april, buiten de broedgebieden om, komen we ze niet meer zoveel tegen.

De zilverreiger is een koloniebroeder. In de wintermaanden is dat soms ook in de regio te zien, als er flinke groepen gezamenlijk rondtrekken. Van oorsprong komt de vogel uit mediterrane gebieden. Momenteel is hij ook in grote getale te vinden rond de Zwarte zee. Om te nestelen heeft deze reiger grote hoeveelheden overjarig riet nodig. Ook knotwilgen worden gebruikt om hun nest in te bouwen. Ze verzorgen één legsel met 3- 4 eieren in de maanden april t/m juni.kolonie groet zilverreiger