Voor elk wat wils.

 SPREUKEN.

Waait in juni de noordenwind over het land, dan krijgt de boer veel koren in zijn hand.

Juni nat en koud, maakt vaak dat je het hele jaar ellende houdt.

Is mei nat, een droge juni volgt zijn pad.

Ging juni goed voorbij, dan ben je in juli ook nog blij.

Hoor je in juni de donder kraken, dan doet de boer vaak goede zaken.

Juni regen, goddelijke zegen.


Mop van de week.

Belangstelling.

Een Duitser en een Nederlander zitten samen aan een bar. “Wat doe jij?” vraagt de Duitser. “Ik ben timmerman” vertelt de Nederlander. “Was sagen Sie?” De Nederlander: “Planken.”

Goede raad.

Moeder op de trouwdag van haar dochter: “Luister mijn kind, als je een goede huisvrouw wilt worden, dan heb je drie dingen nodig: de kas, de huissleutel en het laatste woord.”

Baby’s.

Op de terugweg van de welpen, stelt Simon DE VRAAG . “Papa, ik weet dat baby’s uit de buik  van mama komen, maar hoe komen ze er dan in?” vraagt hij onschuldig.

Papa zit een tijdje te dubben op het antwoord en begon zijn keel te schrapen. Daarop zegt zijn zoon geërgerd: “Je moet niet zomaar wat gaan verzinnen, pap. Het geeft niks als je het antwoord niet weet.”

Met de trein.

Een inspecteur van het onderwijs heeft al de hele middag de leerlingen van een klas tot wanhoop gebracht met allerlei moeilijke vragen. “Wil iemand nog iets weten over de spoorwegen in ons land?” vraagt hij.

Joris: “Ja, meneer. Hoe laat gaat uw trein eigenlijk? “

Veertig.

Cora, die nog heel mooi is, maar de veertig nadert, zegt tegen Joop, haar collega, “Ik huiver als ik denk aan de dag van mijn veertigste verjaardag.”

Joop, met effen gezicht: “Wat is jou die dag dan overkomen?”

Slim.

Dirk tegen Peter, zijn bediende, “Haal mijn schoenen even.” Peter komt met de schoenen en Dirk zegt: “Sukkel, je hebt één bruine en één zwarte gepakt.”

Peter: “Ja, dat is mij ook opgevallen, maar het andere paar dat er nog staat, ziet er precies zo uit.”

Vroom.

Tijdens het gesprek in de kerk zegt Tim tegen zijn buurman, die met enorme stem verheffing zit te bidden: “Hoor eens, met geweld bereik je hier niets.”

Baby.

Bij de buren van Frits is een baby geboren. Alleen de baby is geboren zonder oren. Voordat zij op visite gaan, waarschuwt zijn moeder hem: “Wat je ook zegt, je zegt niks over die oren!”

Als ze op visite zijn vraagt Frits: “Buurvrouw, mag ik het baby’tje zien? ” 

“Natuurlijk Frits, ” Samen gaan ze kijken. “Dat is een mooi baby’tje,” zegt Frits. Het is even stil, dan vraagt hij: “Heeft zeker wel goede ogen?”  “Zeker,” zegt de buurvrouw. “Waarom vraag je dat?”

“Nou,” zegt Frits, “een bril zal hij nooit kunnen dragen.”

Topsnelheid.

Een vraag aan de redactie van het automagazine: “Klopt het dat een lelijk eendje een snelheid haalt van 180 km.per uur?”

Antwoord: “In principe wel. Het hangt ervan af, uit welke hoogte men deze laat vallen.”

Straf.

Twee broertjes Marco en Mario komen uit school en klagen thuis, dat de onderwijzer hun aan de oren heeft getrokken. Vader wordt kwaad en neemt de twee jongens mee naar de kapper en laat ze helemaal kaal knippen. “Zo zegt hij, “dan kan de onderwijzer jullie tenminste niet meer pesten.” 

De volgende dag zegt Mario tegen Marco: “Vandaag heeft de onderwijzer me aan de oren getrokken. Maar zeg er niets over tegen vader……”

Ongeval.

Jonas is met zijn driewieler op zijn gezicht gevallen. “Och, och, arm kereltje! Is je neus nog heel?” vraagt oma bezorgd. Jonas antwoordt ernstig: “Alles o.k., oma. De twee gaten in mijn neus zaten er al in.”

Nootjes.

Drie vriendinnetjes zijn met hun groep op schoolreis. Na een half uurtje rijden gaat het eerste meisje naar de buschauffeur met een hand vol nootjes.  “Oh lekker,” zegt de chauffeur. Weer een half uur later gaat het tweede meisje met een handvol nootjes naar de chauffeur. “Dankjewel, ” zegt de chauffeur.

Na weer een half uur gaat het derde meisje met een handvol nootjes. “Nee, dank je,” zegt de chauffeur. “Maar waarom kopen jullie nootjes, als je ze allemaal weggeeft?”

“Oh, ” zegt het meisje, “wij lusten alleen het chocolade boven laagje.”

Bij de psychiater.

Een man komt de spreekkamer van de psychiater binnen en begint tabak in zijn neusgaten te stoppen. De psychiater observeert een poosje dit gedrag en vraagt tenslotte: “Wat kan ik voor u doen?”

Waarop de man antwoordt: “Hebt u een vuurtje voor mij? “

Vogels in de tuin.

Vogels maken graag gebruik van tuinen. Iedereen kan vogels daarbij helpen, ook als je een balkon hebt of een kleine stadstuin. Ze hebben een plek nodig waar ze lekker kunnen schuilen. Dus zorg voor een schuilplek. Ook zijn ze dol op geschikt voedsel. Elke vogel heeft daarin zijn eigen smaak. Plaats de juiste planten, struiken enz. voor de vogels die jij leuk vindt. Hieronder een aantal vogels die in onze omgeving het meest voorkomen en welke planten ze nodig hebben.

De koolmees.

Een grote tuin is ideaal om een paar bomen en struiken in te planten. Die vormen een aanwinst voor je tuin en ze zijn van levensbelang voor allerlei dieren. Insecten vinden er alles wat ze nodig hebben. En daar komen dan weer vogels op af, koolmezen voorop.
Koolmezen zie je bijna overal in Nederland. Vaak zijn ze behoorlijk druk aanwezig en niet te missen. Maar zodra er gevaar dreigt, weten ze zich zó goed te verstoppen dat ze van de aardbodem lijken te zijn verdwenen.
Koolmezen vinden van alles gevaarlijk, zoals katten en honden. Maar ook voor bijvoorbeeld een bezoekje van de buurman, een grasmaaier of een brommer zijn ze meteen op hun hoede. Dan duiken ze snel tussen de bladeren. Als je een paar bomen of struiken hebt, voelen koolmezen zich al snel veilig in jouw tuin en kun je ze van dichtbij bekijken. Struiken als hop, vuurdoorn of wilde kamperfoelie zijn voor koolmezen en andere vogels  een feest!

De takkenril.

Heb je bomen en struiken in je tuin, dan moet je die ook af en toe snoeien. Dat is leuk werk om te doen, en het levert ook nog iets extra’s op. Je kunt namelijk van de overgebleven takken een prachtige takkenril maken: een wal van in de lengte opgestapelde takken. Daarmee maak je je tuin nog aantrekkelijker voor vogels zoals koolmezen. En naast vogels maken ook insecten en zoogdieren (egel!) dankbaar gebruik van een takken.
Koolmezen eten van alles: ze zijn dol op zaden en zonnebloempitten, en ze verslinden ook heel wat rupsen en insecten. Die zoeken ze werkelijk overal, zolang er tenminste enige beschutting in de buurt is. Een takkenril is daarvoor ideaal. Koolmezen scharrelen daar graag in, op zoek naar voedsel. En ze gebruiken een takkenril ook als schuilplaats.
Wist je dat koolmezen zoveel rupsen en larven opruimen dat je nauwelijks groen in je tuin zou hebben als ze dat niet deden? Een paar vogelliefhebbers hebben eens geteld hoeveel rupsen een paartje koolmezen in de broedtijd aan hun jongen voerde. Dat waren er ongeveer tienduizend! Stel je eens voor wat er zou gebeuren als al die rupsen zich ongestoord vol zouden kunnen eten? Dan bleef er geen blad meer aan de boom zitten. Koolmezen zijn dus niet alleen een genot om naar te kijken en te luisteren, ze zijn nog eens heel nuttig ook.
Een takkenril is daarom een slimme zet in je tuin. Hij biedt veel voordelen: je hebt een prima bestemming voor je snoeihout, hij biedt beschutting voor allerlei dieren en je kunt hem gebruiken als tuinafscheiding. In de zomer gooi je er je gemaaide gras op. Een takkenril is gemakkelijk te maken en je kunt hem precies aanpassen aan de grootte van je tuin.Afbeeldingsresultaten voor takkenril

De merel.

Door bomen en struiken te planten krijg je vanzelf veel insecten  en als er insecten zijn, kom je ook merels tegen. Als je er dan ook nog een stukje gras bij hebt, zijn deze vogels helemaal in hun nopjes.
Merels zijn van nature schuwe bosvogels. Ze hebben zich echter uitstekend aan de mensen weten aan te passen. Toch zullen ze altijd op hun hoede zijn. Een kat zien ze al snel, en dat zul je horen ook! Met hun luide alarmroep waarschuwen ze ook andere dieren. Merels hebben daarom altijd bomen en struiken nodig. Voor een goed zicht, om in te schuilen en om een nest in te maken.
Met een gazon maak je merels heel blij. Al snel zal er een opduiken die het gras tot zijn territorium rekent en er dagelijks wormen komt zoeken. Je ziet merels vaak hippen op het gras. Af en toe wachten ze even en houden dan hun kop scheef. Dat doen ze niet om te luisteren, maar om scherp te kunnen zien. Zo zien ze met één oog meteen of er een vijand aankomt. Een gazon biedt merels dus voedsel én veiligheid.
Je kunt uit verschillende grassoorten kiezen. Als je voor een natuurlijk gazon gaat, kies je een soort waartussen graag en gemakkelijk bloemen als klaver en madeliefjes groeien. Die trekken insecten aan, en daar komen weer vogels op af, waaronder merels. Een natuurlijk gazon hoef je minder vaak te maaien en zal daarom ook minder snel uitdrogen. Niet alleen merels komen graag op een natuurlijk gazon, ook kinderen vinden het vaak heerlijk om daar bloemetjes te plukken.
Van bomen en struiken in je tuin, in combinatie met een natuurlijk gazon, heb je je leven lang plezier. Je zult ervoor worden beloond met hun prachtige gezang. Een paar jaar geleden werd de zang van de merel zelfs uitgeroepen tot het mooiste natuurgeluid van Nederland!


Fruit.
Merels lusten graag fruit. Ze zijn dol op aardbeien en bessen, en ook op appels en peren. Deze struiken of bomen staan mooi in je tuin en geven heerlijk fruit. Bijkomend voordeel is dat je er zelf ook van kunt snoepen.
Merels zijn makkelijke eters. Ze lusten insecten en andere beestjes zoals regenwormen en larven, en ze eten daarnaast ook zaden en vruchten. Bessen, bramen en aardbeien zijn daarbij favoriet. In het naseizoen komen daar pruimen, appels en peren bij.
Om merels in je tuin te krijgen, is het goed om niet al het fruit van je bomen te plukken, maar er ook wat aan te laten zitten. Na verloop van tijd valt dat vanzelf op de grond. En dan is het een welkome hap voor merels, zanglijsters en spreeuwen. Die vinden het zelfs heerlijk als de vruchten een beetje beginnen te rotten.
Ook lagere planten brengen vaak smakelijke vruchten voort. Merels zijn verzot op aardbeien, frambozen en aalbessen. Als je er een paar laat hangen of vallen, doe je je de merels een groot plezier.

De roodborst.

De roodborst is een kleine lijstersoort. Hij is dus een neefje van de merel. Ook roodborsten zijn van nature schuwe bosvogels. Ze hebben zich echter uitstekend aan de mensen weten aan te passen. Ze zijn heel nieuwsgierig en komen graag even kijken als je in de tuin aan het werk bent. Wie weet wat er tijdens het schoffelen allemaal boven komt drijven. Toch zullen ze altijd op hun hoede blijven.
Daarom zijn bomen en struiken in je tuin zo fijn voor roodborstjes. Bij gevaar schuilen ze in de struiken of vliegen ze hoog een boom in. En als daar bovendien nog andere planten onder groeien, voelen ze zich al snel op hun gemak. Plant bijvoorbeeld een inheemse vogelkers met daaronder gele dovenetel. Een mooie én nuttige combinatie!
Inheemse vogelkers is een kleurrijke struik. In het voorjaar bloeit hij uitbundig met trossen witte, geurige bloemen. In het najaar verschijnen donkerblauwe bessen (kersen) en kleuren de bladeren oranjegeel. Tel daar de zachtgele kleur van de bloemen van de gele dovenetel bij op, aangevuld met het oranjerood van de roodborst, en je hebt pure kunst in je tuin.

Rust.
Roodborstjes varen wel bij een rustige tuin. Daar zijn ze veilig voor vijanden en ze kunnen er op hun gemak naar voedsel zoeken.
Roodborstjes houden van rust. Ze leven – buiten het broedseizoen – het liefst in hun eentje en dulden geen ander roodborstje in hun territorium. Ze jagen ook heel geduldig. Eerst zitten ze zeer stil, laag boven de grond, en dan ineens duiken ze op hun prooi af. Op de grond scharrelen ze vaak hun kostje bij elkaar tussen de bladeren. Je doet ze een groot plezier door de bladeren in je tuin niet weg te gooien, maar te laten liggen of onder een paar struiken te harken.
Net als veel andere vogels zijn roodborsten gevoelig voor verstoring. Dan trekken ze zich bij voorkeur terug in een boom of struik. Later, als de druktemakers (mensen of andere tuinbezoekers) weg zijn, komen ze vaak weer terug. Een rustige plek in een hoek van je tuin wordt dan ook zeer gewaardeerd.
In een grote tuin heb je plaats voor een flinke rustplek. Je kunt diverse dichte bomen en struiken aanplanten, die je afwisselt met lagere planten. Daarna laat je de plek zo veel mogelijk met rust. Je roodborst zal je er dankbaar voor zijn.

De winterkoning.

De winterkoning is een van de algemeenste broedvogels van ons land. Toch kijken veel mensen verrast op als ze er een zien, zeker als dat in hun eigen tuin is. Dit bruine vogeltje met het opgewipte staartje is klein en onopvallend. Pas als hij zijn snavel opentrekt, valt hij op. En niet zo’n beetje ook, want het is ongelooflijk wat een geluid er uit dit kleine vogeltje komt!
De winterkoning is een van de eerste vogels die je hoort. Vaak begint hij al in januari met zijn uitbundige zang. En die klinkt het hele jaar door.
Hij komt overal voor waar voldoende dekking is om een nest te kunnen bouwen. Dat kan dus ook in boomrijke woonwijken zijn, en zelfs midden in de stad.
In een grote tuin heb je heel wat mogelijkheden om het de winterkoning naar de zin te maken. Je kunt bijvoorbeeld een hop aanplanten: de enige inheemse kruidachtige slingerplant in ons land. Hij is vooral bekend doordat hij een van de belangrijkste ingrediënten voor bier levert. Op deze prachtige bloeier komen veel insecten af, dus dat betekent voedsel. Hij groeit mooi dicht zodat de winterkoning er zijn koepelnest in kan maken. Bovendien kunnen de kleintjes zich er veilig in verstoppen.

Een composthoop.

Winterkoninkjes eten vooral kleine insecten, spinnetjes en andere bodemdiertjes. Ze verrijken hun dieet met zaden en bessen. Om al dat lekkers te vinden, wroeten ze ook graag in een composthoop. En die past prima in een grote tuin.
Van nature is de winterkoning een schuwe bosvogel. Maar de winterkoning is een echte overlever en is daarom ook zo flexibel. Hij heeft zijn leefgebied uitgebreid naar tuinen, waardoor hij zich uitstekend heeft weten aan te passen aan mensen. Toch zal hij altijd op zijn hoede blijven, dus hij komt alleen je tuin in als er voldoende struiken aanwezig zijn.
De winterkoning heeft een aparte manier van voedsel zoeken. Hij sluipt als een muis door de begroeiing. Daar scharrelt hij zijn kostje bij elkaar tussen de bladeren. In je tuin doe je hem een groot plezier door de bladeren onder een paar struiken te harken.
Je kunt bladeren natuurlijk ook op de composthoop gooien. Daar liggen nog veel meer plantaardige resten die tot ontbinding overgaan. Dit groenafval wordt door onder meer schimmels, bacteriën en andere kleine diertjes omgezet tot compost, die je weer kunt gebruiken om je tuin mee te bemesten. De winterkoning zoekt graag op je composthoop naar zaadjes en vooral die kleine diertjes. Maar maak je geen zorgen: er blijven er nog genoeg over om compost te maken.

De zanglijster.

In een grote tuin kun je naar hartenlust bomen en struiken planten. Die zorgen voor voedsel, nestgelegenheid en beschutting voor tal van dieren, ook voor de zanglijster. Als je dan ook nog een stukje gras in je tuin hebt, is hij helemaal in zijn nopjes.
Het voordeel van een grote tuin is dat je hem gevarieerd kunt maken. Een gevarieerde tuin is aantrekkelijk voor dieren, voor planten en voor mensen! Veel borderplanten doen het bijvoorbeeld goed door de aanwezigheid van hogere bomen en struiken. Die bieden beschutting tegen wind en vorst, terwijl de afgevallen bladeren zorgen voor een voedselrijke bodem.
Het is leuk om te experimenteren met plantencombinaties. Plant bijvoorbeeld een prachtige Gelderse roos, en zaai daaronder een veldje fraaie judaspenningen. Gelderse roos is een plant die altijd voldoening geeft. Zijn grote witte bloemtuilen zijn een lust voor het oog en trekken veel insecten aan. In de herfst kleurt hij romantisch bruinrood, en in de winter draagt hij scharlakenrode bessen. Judaspenning bloeit van april tot en met juni met vele paarse bloempjes. Daarna vormt hij zaden in half doorzichtige schijfjes. Deze vinden wij heel decoratief, en zanglijsters vinden ze vooral heel lekker.

Het geheim van de smidse.

Bij een aantal stenen op een rustig plekje in je tuin, zie je soms een hele hoop lege en kapotte slakkenhuisjes liggen. Dat is het werk van een zanglijster. Die is namelijk een gespecialiseerde slakkenverdelger.
Zanglijsters eten van alles. Naast fruit verslinden ze heel wat regenwormen, insecten, duizendpoten, pissebedden en andere bodemdiertjes. Bovendien zijn ze dol op slakken. En dan niet alleen naaktslakken. Zanglijsters hebben zich gespecialiseerd in huisjesslakken. De huisjes breken ze op een vaste plek open, op een zogeheten ‘smidse’.
Zanglijsters zijn uitstekende slakkenverdelgers. Ze zoeken hun voedsel vooral hippend op de grond. Wee dus de huisjesslak die ze daarbij voor de voeten kruipt! Dat hij zich in zijn huisje terugtrekt, zal hem niet helpen. De zanglijster pakt hem in zijn snavel en neemt hem mee naar zijn favoriete steen, de smidse. Daar slaat hij het huisje met een paar snelle kopbewegingen stuk en peuzelt het slakje vervolgens op. Bij deze smidse liggen soms wel tientallen kapotte of lege slakkenhuisjes. Als je daarom zorgt voor enkele platte stenen in beschutte hoekjes van de tuin, dan hoef je voortaan de slakken niet meer zelf bij je planten weg te houden. Die slakkenhuisjes kun je later weer als kalk voor je tuin gebruiken. Als dat geen win-winsituatie is!

De pimpelmees.

Bomen en struiken zijn voor veel dieren heel belangrijk, onder meer voor insecten. En insecten trekken weer vogels aan, zoals de pimpelmees.
Pimpelmezen komen bijna overal voor, als er maar wat groen is. Van nature zijn het bosvogels, maar ze hebben zich uitstekend aangepast aan de mens. Het zijn heel behendige vogeltjes die aan de dunste twijgjes en vetbollen bungelen om aan voedsel te komen. Je kunt ze vaak van dichtbij bewonderen in je tuin. Zodra er echter gevaar dreigt, zijn ze als bij toverslag verdwenen.
Als je bomen of struiken in je tuin plant, komen daar pimpelmezen op af. Helemaal als je voor een berk kiest. Deze flexibele boom heeft een prachtige zilverwitte schors. In de herfst verkleuren zijn bladeren heel mooi goudgeel. Hij groeit het liefst in enigszins vochtige grond.
Pimpelmezen bungelen graag aan de dunne twijgen waaraan de katjes hangen, die ze graag lusten. Vaak blijven die nog tot in de winter aan de boom zitten. Dan krijgen ze wel wat concurrentie van sijzen, want ook die zijn er dol op!

Afgevallen bladeren.

Afgevallen bladeren beschermen je planten tegen de vorst. Daarnaast vormen ze een bron van voedsel voor merels, roodborstjes en heggenmussen. Onder en tussen de bladeren wemelt het namelijk van de – voor veel vogels zeer smakelijke – bodemdiertjes zoals spinnen, torren, pissebedden en oorwurmen.
Pimpelmezen eten van alles: in de lente en zomer verslinden ze heel wat rupsen en insecten, in de herfst zijn ze dol op zaden en pinda’s. Ze zoeken hun voedsel zowel in bomen (appel, eik, berk), als op de grond tussen de bladeren. Met bomen en struiken in de buurt, voelen ze zich al snel op hun gemak. Bovendien vinden ze er beschutting als er gevaar dreigt.
Onder bladerhopen gaat een waardevolle wereld schuil: die van de bodemdiertjes. Het leven van vogels als pimpelmezen hangt af van deze minibeestjes. Met een volle maag de winternacht ingaan, is van levensbelang voor deze kleine vogels: zo blijven ze de hele nacht op temperatuur.
Pimpelmezen zijn er daarom dol op als je wat bladeren in je tuin laat liggen. Daarin kunnen ze lekker scharrelen en vinden ze het hele jaar door smakelijke hapjes.