Voor elk wat wils.

Vogels in de tuin.

Vogels maken graag gebruik van tuinen. Iedereen kan vogels daarbij helpen, ook als je een balkon hebt of een kleine stadstuin. Ze hebben een plek nodig waar ze lekker kunnen schuilen. Dus zorg voor een schuilplek. Ook zijn ze dol op geschikt voedsel. Elke vogel heeft daarin zijn eigen smaak. Plaats de juiste planten, struiken enz. voor de vogels die jij leuk vindt. Hieronder een aantal vogels die in onze omgeving het meest voorkomen en welke planten ze nodig hebben.

De koolmees.

Een grote tuin is ideaal om een paar bomen en struiken in te planten. Die vormen een aanwinst voor je tuin en ze zijn van levensbelang voor allerlei dieren. Insecten vinden er alles wat ze nodig hebben. En daar komen dan weer vogels op af, koolmezen voorop.
Koolmezen zie je bijna overal in Nederland. Vaak zijn ze behoorlijk druk aanwezig en niet te missen. Maar zodra er gevaar dreigt, weten ze zich zó goed te verstoppen dat ze van de aardbodem lijken te zijn verdwenen.
Koolmezen vinden van alles gevaarlijk, zoals katten en honden. Maar ook voor bijvoorbeeld een bezoekje van de buurman, een grasmaaier of een brommer zijn ze meteen op hun hoede. Dan duiken ze snel tussen de bladeren. Als je een paar bomen of struiken hebt, voelen koolmezen zich al snel veilig in jouw tuin en kun je ze van dichtbij bekijken. Struiken als hop, vuurdoorn of wilde kamperfoelie zijn voor koolmezen en andere vogels  een feest!

De takkenril.

Heb je bomen en struiken in je tuin, dan moet je die ook af en toe snoeien. Dat is leuk werk om te doen, en het levert ook nog iets extra’s op. Je kunt namelijk van de overgebleven takken een prachtige takkenril maken: een wal van in de lengte opgestapelde takken. Daarmee maak je je tuin nog aantrekkelijker voor vogels zoals koolmezen. En naast vogels maken ook insecten en zoogdieren (egel!) dankbaar gebruik van een takken.
Koolmezen eten van alles: ze zijn dol op zaden en zonnebloempitten, en ze verslinden ook heel wat rupsen en insecten. Die zoeken ze werkelijk overal, zolang er tenminste enige beschutting in de buurt is. Een takkenril is daarvoor ideaal. Koolmezen scharrelen daar graag in, op zoek naar voedsel. En ze gebruiken een takkenril ook als schuilplaats.
Wist je dat koolmezen zoveel rupsen en larven opruimen dat je nauwelijks groen in je tuin zou hebben als ze dat niet deden? Een paar vogelliefhebbers hebben eens geteld hoeveel rupsen een paartje koolmezen in de broedtijd aan hun jongen voerde. Dat waren er ongeveer tienduizend! Stel je eens voor wat er zou gebeuren als al die rupsen zich ongestoord vol zouden kunnen eten? Dan bleef er geen blad meer aan de boom zitten. Koolmezen zijn dus niet alleen een genot om naar te kijken en te luisteren, ze zijn nog eens heel nuttig ook.
Een takkenril is daarom een slimme zet in je tuin. Hij biedt veel voordelen: je hebt een prima bestemming voor je snoeihout, hij biedt beschutting voor allerlei dieren en je kunt hem gebruiken als tuinafscheiding. In de zomer gooi je er je gemaaide gras op. Een takkenril is gemakkelijk te maken en je kunt hem precies aanpassen aan de grootte van je tuin.Afbeeldingsresultaten voor takkenril

De merel.

Door bomen en struiken te planten krijg je vanzelf veel insecten  en als er insecten zijn, kom je ook merels tegen. Als je er dan ook nog een stukje gras bij hebt, zijn deze vogels helemaal in hun nopjes.
Merels zijn van nature schuwe bosvogels. Ze hebben zich echter uitstekend aan de mensen weten aan te passen. Toch zullen ze altijd op hun hoede zijn. Een kat zien ze al snel, en dat zul je horen ook! Met hun luide alarmroep waarschuwen ze ook andere dieren. Merels hebben daarom altijd bomen en struiken nodig. Voor een goed zicht, om in te schuilen en om een nest in te maken.
Met een gazon maak je merels heel blij. Al snel zal er een opduiken die het gras tot zijn territorium rekent en er dagelijks wormen komt zoeken. Je ziet merels vaak hippen op het gras. Af en toe wachten ze even en houden dan hun kop scheef. Dat doen ze niet om te luisteren, maar om scherp te kunnen zien. Zo zien ze met één oog meteen of er een vijand aankomt. Een gazon biedt merels dus voedsel én veiligheid.
Je kunt uit verschillende grassoorten kiezen. Als je voor een natuurlijk gazon gaat, kies je een soort waartussen graag en gemakkelijk bloemen als klaver en madeliefjes groeien. Die trekken insecten aan, en daar komen weer vogels op af, waaronder merels. Een natuurlijk gazon hoef je minder vaak te maaien en zal daarom ook minder snel uitdrogen. Niet alleen merels komen graag op een natuurlijk gazon, ook kinderen vinden het vaak heerlijk om daar bloemetjes te plukken.
Van bomen en struiken in je tuin, in combinatie met een natuurlijk gazon, heb je je leven lang plezier. Je zult ervoor worden beloond met hun prachtige gezang. Een paar jaar geleden werd de zang van de merel zelfs uitgeroepen tot het mooiste natuurgeluid van Nederland!


Fruit.
Merels lusten graag fruit. Ze zijn dol op aardbeien en bessen, en ook op appels en peren. Deze struiken of bomen staan mooi in je tuin en geven heerlijk fruit. Bijkomend voordeel is dat je er zelf ook van kunt snoepen.
Merels zijn makkelijke eters. Ze lusten insecten en andere beestjes zoals regenwormen en larven, en ze eten daarnaast ook zaden en vruchten. Bessen, bramen en aardbeien zijn daarbij favoriet. In het naseizoen komen daar pruimen, appels en peren bij.
Om merels in je tuin te krijgen, is het goed om niet al het fruit van je bomen te plukken, maar er ook wat aan te laten zitten. Na verloop van tijd valt dat vanzelf op de grond. En dan is het een welkome hap voor merels, zanglijsters en spreeuwen. Die vinden het zelfs heerlijk als de vruchten een beetje beginnen te rotten.
Ook lagere planten brengen vaak smakelijke vruchten voort. Merels zijn verzot op aardbeien, frambozen en aalbessen. Als je er een paar laat hangen of vallen, doe je je de merels een groot plezier.

De roodborst.

De roodborst is een kleine lijstersoort. Hij is dus een neefje van de merel. Ook roodborsten zijn van nature schuwe bosvogels. Ze hebben zich echter uitstekend aan de mensen weten aan te passen. Ze zijn heel nieuwsgierig en komen graag even kijken als je in de tuin aan het werk bent. Wie weet wat er tijdens het schoffelen allemaal boven komt drijven. Toch zullen ze altijd op hun hoede blijven.
Daarom zijn bomen en struiken in je tuin zo fijn voor roodborstjes. Bij gevaar schuilen ze in de struiken of vliegen ze hoog een boom in. En als daar bovendien nog andere planten onder groeien, voelen ze zich al snel op hun gemak. Plant bijvoorbeeld een inheemse vogelkers met daaronder gele dovenetel. Een mooie én nuttige combinatie!
Inheemse vogelkers is een kleurrijke struik. In het voorjaar bloeit hij uitbundig met trossen witte, geurige bloemen. In het najaar verschijnen donkerblauwe bessen (kersen) en kleuren de bladeren oranjegeel. Tel daar de zachtgele kleur van de bloemen van de gele dovenetel bij op, aangevuld met het oranjerood van de roodborst, en je hebt pure kunst in je tuin.

Rust.
Roodborstjes varen wel bij een rustige tuin. Daar zijn ze veilig voor vijanden en ze kunnen er op hun gemak naar voedsel zoeken.
Roodborstjes houden van rust. Ze leven – buiten het broedseizoen – het liefst in hun eentje en dulden geen ander roodborstje in hun territorium. Ze jagen ook heel geduldig. Eerst zitten ze zeer stil, laag boven de grond, en dan ineens duiken ze op hun prooi af. Op de grond scharrelen ze vaak hun kostje bij elkaar tussen de bladeren. Je doet ze een groot plezier door de bladeren in je tuin niet weg te gooien, maar te laten liggen of onder een paar struiken te harken.
Net als veel andere vogels zijn roodborsten gevoelig voor verstoring. Dan trekken ze zich bij voorkeur terug in een boom of struik. Later, als de druktemakers (mensen of andere tuinbezoekers) weg zijn, komen ze vaak weer terug. Een rustige plek in een hoek van je tuin wordt dan ook zeer gewaardeerd.
In een grote tuin heb je plaats voor een flinke rustplek. Je kunt diverse dichte bomen en struiken aanplanten, die je afwisselt met lagere planten. Daarna laat je de plek zo veel mogelijk met rust. Je roodborst zal je er dankbaar voor zijn.

Spreuken.

Autoruiten nog steeds bevroren, dat geeft straks veel koren.

Dondert het in maart, vorst in april.

Een natte maart, geeft veel lijnzaad.

Maart guur geeft een volle schuur.

Maartse regen brengt geen zegen.

Waait in maart de wind te fel, veel fruit verwacht men wel.


Mop van de week.

In de boekenwinkel.

Ferry gaat een boekwinkel binnen en vraagt aan de verkoper: “Ik wil graag een boek waarin geen moord, geen liefde, geen detective, geen miljonair en geen knappe jonge vrouwen in voorkomen. Wat kunt u me aanraden?”

“Het nieuwe spoorboekje, mevrouw.”

Vochtigheid.

Een man komt bij de huisarts en zegt: “Ik weet niet of zich mij nog kunt herinneren, dokter, maar zo’n jaar geleden hebt u mij behandeld voor reuma.”

“Dat is best mogelijk,” zegt de arts, “ik heb zoveel patiënten.”  “U hebt me toen gezegd op te passen met vochtigheid. Wat denkt u. Zou ik me dan nu langzamerhand weer kunnen wassen?”

Vliegtuig.

Piloot: “We zijn 1000 km. van de kust verwijderd en hebben geen druppel brandstof meer in de tank. Wat moeten we doen?” Luchtverkeersleider: “Zeg mij na: Onze vader, die in de……”

Boterhammen.

Boer Jansen gaat voor de eerste keer in zijn leven naar Antwerpen. Twee deugnieten van het dorp maken hem wijs, dat hij door een lange voetgangerstunnel moet. “Dat maakt me niets uit”, zegt Jansen. “Ik neem boterhammen mee voor onderweg”. 

En met een stapel boterhammen trekt hij de volgende dag naar Antwerpen en loopt door de tunnel. In de tunnel komt hij een vrouw tegen, die zwanger is. “Pardon madam,” zegt Jansen, “hoe lang is het nog?” Waarop de vrouw zegt:”Nog een goede week.” 

“Verdikke,”zegt Jansen, “dan moet ik omkeren, want dan heb ik niet genoeg boterhammen bij me.”

Stereo-installatie.

Een bejaarde automobilist beweert tegen zijn kleinkinderen, dat hij de eerste Nederlander was met een stereo-installatie in zijn auto.

“U opa?”  “Ja, oma voorin en jullie moeder achterin.”